La Java Bleue

We zijn in Kampot. Een heerlijk, relaxed stadje in het zuidoosten van Cambodja, dichtbij de grens met Vietnam. Gelegen aan de rivier. Brede wegen die uitkomen op grote, lege verkeerspleinen. Een slaperig centrum in een raster-structuur genaamd het French quarter. Overal oude koloniale architectuur. Rijen met kleurrijke, prachtig ontworpen shophouses die langzaam afbrokkelen. Daarin rommelige winkeltjes, eettentjes, barretjes, laundry shops en guesthouses. In hangmatten op de veranda liggen Cambodjanen te dutten. Op de stoep karretjes die allerlei lokale gerechten verkopen. In de straten tuffen tuktuks, scooters en fietsers langzaam voorbij. Niemand heeft hier haast. 

Onze Lonely Planet omschreef het heel treffend: dit stadje heeft een dromerige kwaliteit, alsof iemand jaren geleden de snooze knop heeft ingedrukt en de hele stad vergeten is wakker te worden. Het klopt.

De wind speelt met onze haren en ondanks het vroege tijdstip voelen we de warme lucht al over ons gezicht glijden. Het is 9 uur in de ochtend en we zitten in de tuktuk die we hebben gehuurd om het platteland rondom Kampot te verkennen. Deze tuktuk wordt  ook wel ‘’remork’’ genoemd, van het Franse remorque wat aanhanger betekent. Eigenlijk gewoon een brommer met daarachter een karretje. Best comfortabel. 

Na een half uur draaien we de doorgaande weg af een onverhard pad op. Rijstvelden, hutjes op houten palen, af en toe een overstekende koe en honden die ons toeblaffen. Vanuit hun hangmatten ziet de plaatselijke bevolking ons voorbijgaan. De meeste kinderen zitten op school. De weg is slecht en we stuiteren van onze bankjes door de vele putten en gaten. De stofwolken dalen op ons neer dus onze mondkapjes komen goed van pas. We zijn onderweg naar La Plantation, een van de peperplantages waar deze streek bekend om is. Na een paar kilometer stopt onze chauffeur aan de oever van een groot meer, precies op de plek waar een dam is aangelegd. Door de dam open te zetten kan een groot gebied van water worden voorzien. De plantages en de rijstboertjes zijn ervan afhankelijk. 

Als Marie-Laure vraagt waar we zijn begint hij te vertellen over het drama dat hier zo’n 45 jaar geleden plaatsvond. Dit  gebied was een belangrijke toevluchtsplek voor Cambodjanen, die door het Rode Khmer regime, dat tussen 1975 en 1979 van Cambodja een zelfvoorzienende agrarische staat wilde maken, de steden uit werden gejaagd. Miljoenen Cambodjanen leefden in erbarmelijke omstandigheden op het platteland, er was niet genoeg eten en de mensen verhongerden. Omdat alles tijdens het regime geheim was, was dit meer dat ook. Het regime wilde een barrage aanleggen en zette daarvoor duizenden, uitgehongerde mensen aan het werk. Velen van hen overleefden het niet. Midden in het meer steken restanten van het dorp, wat door het water werd opgeslokt, nog net boven het wateroppervlak uit. Het meer werd in de volksmond bekend als Secret Lake. 

Zijn Engels is niet heel goed maar toch begrijpen we precies wat hij bedoelt. De emotie spreekt uit zijn stem. Zelf is hij aan het begin van de jaren tachtig geboren, maar zijn ouders hebben alles meegemaakt en hem er vaak over verteld. Een zwarte bladzijde in de geschiedenis van dit land. Meer dan anderhalf miljoen Cambodjanen, vooral hoger opgeleid en invloedrijk, vonden de dood. Bizar detail, mensen droegen geen brillen meer omdat dit een teken van intelligentie was en ervoor kon zorgen dat je opgepakt werd. De gevolgen hiervan voor de ontwikkeling van het land worden na al die tijd nog gevoeld. Niet voor niets is Cambodja nog steeds een van de armste landen ter wereld. Deze bladzijde proberen de mensen al heel lang om te slaan, maar waar je ook bent je komt het verleden overal weer tegen.

De peperplantage ligt aan de oever van het Secret Lake en is in 2013 opgericht door Guy en Nathalie, een Belgisch-Frans koppel die in Kampot zijn neergestreken en die er een maatschappelijk project van hebben gemaakt. De plantage biedt werkgelegenheid, er worden rondleidingen en kookworkshops georganiseerd en er is een onderwijsproject om de kinderen uit de naastgelegen dorpen langer naar school te laten gaan. We krijgen een rondleiding over de plantage en zien er hoe peper wordt verbouwd. Anna en Arthur leren welke soorten peper er bestaan. De peper van Kampot is een zogenaamde AOC en wereldwijd erkent om zijn uitzonderlijke kwaliteit. De rondleiding wordt afgesloten met een proeverij inclusief beoordeling. We proeven zwarte, groene, rode en witte peper, gerookte peper, verse cardamom en diverse kruidenmengsels op basis van peper die opmerkelijk zacht en smaakvol zijn. Arthur die normaal thuis al protesteert zodra hij in zijn spaghetti carbonara maar één peperkorreltje tegenkomt, proeft uitbundig mee. ‘’Wat is dit lekker. Deze geef ik een drie, en deze een twee!’’. De kinderen mogen na afloop zelf kiezen welke pepers ze willen kopen. Er gaan een heleboel pakken verse peper in de tas mee terug. 

Na de lunch rijden we verder naar Kep, het laatste dorpje voor de grens met Vietnam. Kep is een rare plek. Een strand, een luidruchtige fish market waar de plaatselijke specialiteit, zeekrab, wordt verhandeld. Een onduidelijk groot wit standbeeld van een soort zeemeermin met grote borsten op een pier naast het strand. Langs de weg  allemaal kraampjes waar etenswaren worden aangeboden of waar de Cambodjanen proberen een ligstoel of een hangmat te verhuren. Daarachter een soort jungle die zich uitstrekt over de heuvels van de stad.

Op het strand waan je je in iedere andere Aziatische badplaats. Maar zodra je je wat verder van de boulevard verwijdert zie je waarom deze plek zo raar is. Je ziet er lanen en lanen met verlaten, half ingestorte landhuizen en villa’s. Een ware spookstad achter de boulevard. Grijze, betonnen geraamtes, ooit door architecten ontworpen, nu al decennia lang in verval. Brede overwoekerde oprijlanen en tuinmuren waar de bomen zich doorheen hebben gewrongen. Stijlvol gesmede ijzeren poorten die scheef in hun sponning hangen. Aan de straatkant zijn vaak weer nieuwe huizen of hutjes gebouwd, maar slechts een heel klein deel van de oorspronkelijk huizen wordt opgeknapt. 

Onze chauffeur vertelt ons het verhaal. Kep was eens de populairste badplaats van Cambodja. In de jaren vijftig werd het ook wel het Saint Tropez van Zuidoost-Azië genoemd. Veel Europeanen, maar vooral Fransen hadden hier hun villa’s gebouwd en de stad had de ambiance van een mediterrane stad. Een boulevard, witte stranden, heuvels en veel geld. Maar in de jaren zestig tijdens het bewind van Lon Nol werd Cambodja bijna onvermijdelijk in het conflict met buurland Vietnam gezogen. De Amerikanen bombardeerden Kep als eerste en daarna de Vietnamezen. De Fransen verlieten de stad om nooit meer terug te keren. In de jaren zeventig, toen de mensen honger leden, werden de landhuizen door de plaatselijke bevolking gestript van alles wat van waarde was en wat over de grens in Vietnam verkocht kon worden in ruil voor eten. Nog een bizar detail, het regime van Pol Pot had besloten geld af te schaffen. Geld als ruilmiddel bestond niet meer. De absurditeit hiervan is niet te bevatten.

Veertig jaar later ligt alles er nog bij alsof het gisteren gebeurd is. Niets is opgeruimd. Al decennia lang. Het is tekenend voor de wijze waarop Cambodja nog steeds worstelt met haar verleden.

Wat een contrast met wat we zagen in Phnom Penh aan het begin van onze reis in Cambodja. Phnom Penh was altijd de parel van Azië, in het hart van het Khmer-rijk gelegen aan de Mekong met grote boulevards, pleinen, parken en prachtige Khmer-architectuur. Deze stad is in volle ontwikkeling. Een historisch oud centrum vol met Franse invloeden en met het prachtige Royal Palace en National Museum tegen de achtergrond van moderne hoogbouw. Dure hotelketens, sterrenrestaurants en luxe-winkels. De investeringen die sinds de eeuwwisseling hebben plaatsgevonden, niet in de laatste plaats door de Chinezen die hun invloed hier proberen uit te breiden, hebben hun uitwerking niet gemist. Phnom Penh heeft de uitstraling van een metropool ook al is het een relatief kleine stad met slechts 2 miljoen inwoners. Ook deze stad heeft geleden onder het gruwelijke beleid van Pol Pot. Het Tuol Sleng Genocide Museum en de Killing Fields van Choeung Ek zijn de nog levende getuige van de gruwelijkheden die hebben plaatsgevonden. Als je dit land wilt begrijpen, moet je dit gezien hebben. Dat gaan we ook zeker doen, maar omdat het museum niet geschikt is voor kinderen hebben we ons bezoek nog even vooruitgeschoven. Wellicht aan het einde van onze reis door Cambodja. 

Aan het einde van onze eerste week in dit land hebben we gemerkt dat het heden en het verleden hier naast elkaar bestaan. Je kunt het heden niet begrijpen zonder het verleden te kennen. Wat we om ons heen zien is maar de helft van het verhaal. Daaronder ligt nog iets veel diepers.

Vanavond eten we in het oude centrum van Kampot. We hebben geluk, want deze stad is culinair gezien een waar paradijs. Veel kleine, goed betaalbare eettentjes met een fusiekeuken van traditionele Europese gerechten gecombineerd met de traditionele Cambodjaanse keuken. We bestellen Fish Amok, Beef Lok Lak en Green Curry en proeven de culinaire rijkdom. Wat is dat smullen!

Als we terug lopen komen we langs een prachtig oud, in geel geschilderd hotel. Op de gevel staat ‘’La Java Bleue’’ geschilderd. Typerend. La Java Bleue was een chanson van halverwege de vorige eeuw, stijl musette, waarop in de Parijse bistro’s en op de bals musettes werd gedanst. Marie-Laure opent You-Tube en we dansen al zingend door de lege straten terug naar ons hotel:

C’est la java bleue

La java la plus belle

Celle qui ensorcelle

Quand on la danse les yeux dans les yeux

Au rythme joyeux

Quand les corps se confondent

Comme elle au monde

Il n’y en a pas deux

C’est la java bleue

Morgen pakken we onze bagage weer in en stappen we op de boot. Dan heel iets anders: Bestemming Koh Rong Sanloem. Palmbomen, witte stranden en een azuurblauwe zee.

Dat is ook Cambodja.

Plaats een reactie