Huh? Mag het wc papier hier in de wc?” Arthur zit op de wc in onze hotelkamer in Los Angeles. Het is duidelijk dat we even moeten wennen. Na drie maanden door het Midden Oosten en Azië te hebben gereisd zijn we alweer bijna vergeten hoe het er in een Westers land aan toe gaat.
We zijn in Amerika! Gisteren zijn we aangekomen, maar vandaag valt het ons zwaar. Nog nooit hebben we, laat staan de kinderen, zo’n lange dag gehad als gisteren. Een dag die al met al zo’n 35 uur heeft geduurd en die begon om 5 uur ‘s ochtends in ons hotel in Phnom Penh. Opstaan, douchen en laatste spullen in de tas. Om 6 uur klimmen we in de taxi naar het vliegveld. Inchecken, een klein ontbijtje en om half 10 uur het vliegtuig in. Twee uur later landen we in Singapore. De volgende vlucht naar Los Angeles vertrekt pas acht (!) uur later, om half 9 ‘s avonds. Omdat we naar het oosten vliegen, de Grote Oceaan en de datumgrens over, staat de tijd tijdens onze vlucht soort van stil. Als we 15 uur later landen op LAX is het daar 10 uur in de avond, maar nog steeds 3 april. Afgezien van een paar uurtjes slaap in het vliegtuig zijn we dan al meer dan 30 uur wakker. Ons lichaam snapt er niks meer van en van slapen komt de eerste nacht weinig. Een typische jetlag.
‘’Hello! How can I help ya?’’ zegt de serveerster met een brede lach. We zitten op een terrasje op Santa Monica Pier. De kinderen leven zich uit in de attracties van Pacific Park, het pretpark op de pier. Marie-Laure en ik houden ze met een schuin oog in de gaten onder het genot van een kop koffie. Wat een cultuurschok tussen de gereserveerde glimlach van de Cambodjanen en het uitbundige “Hi there!’’ van de Californiërs.



De Cambodjaanse glimlach blijft een raadsel voor ons. Waar we ook zijn, overal worden we verwelkomd met een glimlach en een beleefd knikje. Het beeld wat we in eerste instantie hadden was dat van prachtig land met een volk van vriendelijke, hardwerkende mensen die hun best doen om hun land er weer bovenop te brengen. Ook al hoorden we de afgelopen weken al vaker de zorgen van de mensen. Over hoe de geschiedenis het land nog steeds in zijn greep heeft, over de invloed van de Aziatische buren en over de kwetsbaarheid van het land.
Tijdens de 6 uur durende rit van Phnom Penh naar Siem Reap ontstaan de eerste barsten in het beeld. Onze taxichauffeur vertelt over zijn land en over de moeilijkheden. Hij spreekt goed Engels en we hebben de tijd. Wij begrijpen dat het land, dat nog steeds worstelt met haar geschiedenis, nu onder druk staat van zijn buren, Thailand, Vietnam en natuurlijk China, dat grond en bedrijven opkoopt en investeert waar het maar kan. We zien de nieuwbouwcomplexen. Enorme betonnen gedrochten die een modern leven naar westerse maatstaven beloven aan Cambodjanen die het zich niet kunnen veroorloven. Hij wijst naar de traditionele houten huizen op palen langs de weg. “Het is nu te duur om met hout te bouwen’’, zegt hij. ‘’Beton is goedkoper’’. Dit is de realiteit nu. De Cambodjanen kunnen geen hout meer kopen om hun huizen te bouwen. De bossen worden over-geëxploiteerd en uiteindelijk verwoest door corrupte overheden. Internationale organisaties en NGO’s die de corruptie aan de kaak stelden, zijn de afgelopen jaren verdreven. De onafhankelijke pers is verdwenen en de radiozenders die ooit een ander geluid lieten horen, Voice of America en Radio Free Asia, zijn er niet meer. De enige partij, de Cambodjaanse Volkspartij, heeft een stevige greep op het land en dit lijkt niet snel te veranderen. De laatste keer dat er verkiezingen plaatsvonden was in 2013. De winnende oppositiepartij werd snel ontmanteld en haar leider leeft nu in ballingschap in Frankrijk. Nieuwe partijen zijn er niet meer en een hele intellectuele generatie die hier iets aan had kunnen doen, is vermoord door de Rode Khmer. Het is een somber beeld. We voelen de moedeloosheid en berusting in zijn stem. Als we aankomen bij ons hotel worden we weer ontvangen met dezelfde glimlach. Maar het gesprek heeft onze nieuwsgierigheid gewekt. Wat zit er achter deze glimlach?
Battambang, de tweede grootste stad na Phnom Penh, is de laatste halte op onze reis door Cambodja. Hier geen historische monumenten of tempelcomplexen en geen paradijselijke stranden. Battambang is voor ons de kans om een blik te werpen achter de schermen van het gewone Cambodjaanse leven. Te beginnen met de Cambodjaanse keuken. We geven ons op voor een kookles in één van de restaurantjes in de stad. Toot en zijn vrouw Nary leren ons hoe we traditionele Cambodjaanse gerechten, zoals Beef Lok Lak (gebakken rundvlees in een zoetzure saus) en Fish Amok (gestoofde riviervis curry van verse kruidenpasta en kokosmelk in een potje van bananenblad), bereiden. Anna en Arthur leren hoe ze verse spring rolls, oftewel loempia’s, moeten maken. Toot is een uitstekende leraar en legt ons in een rudimentair Frans en met veel humor de basisbeginselen van de Khmer-kookkunst uit. Voordat we beginnen neemt zijn zoon ons mee naar de de markt en laat ons de lokale producten zien. Als we klaar zijn genieten de kinderen met trots van elk van de bereide gerechten. Wat lekker! Op een andere tafel na is het restaurant leeg en Toot komt bij ons zitten met een biertje. Hij vertelt ons over zijn leven als gids en hoe hij op het idee kwam om kooklessen te geven toen hij merkte dat toeristen zo dol waren op de lokale gerechten. Hij was de eerste in Battambang, maar zijn idee werd overgenomen door de mensen die voor hem werkten en die uiteindelijk vertrokken om precies hetzelfde op te zetten. “Ik wil er niet over praten omdat het me kwaad maakt. De Khmer zijn niet te vertrouwen. Nu werk ik alleen nog met mijn familie’’. Maar daarna lacht hij weer en als we hem later die avond sms’en om de recepten te ontvangen, stuurt hij een liefdevol bericht terug en zegt hij dat van onze aanwezigheid heeft genoten. En wij van hem! Toot zit voor altijd in ons hart.






We bezoeken een traditionele Cambodjaanse woning gebouwd op palen, ‘’het Ancient House van Madame Boeng Run’’, dat is opengesteld voor publiek. Helaas is deze oude dame die al over de 80 is niet meer in staat om zelf de rondleiding te geven. Haar neef leidt ons rond door het oude huis. Hij vertelt ons in onberispelijk Frans over de verschillende soorten hout die gebruikt worden. In Khmer zijn er drie namen voor elk van deze soorten, in Europa noemen wij alles teak. Teakhout is tegenwoordig zeer zeldzaam in Cambodja en het is te duur geworden voor de Cambodjanen om hun huizen te bouwen zoals hun voorouders dat altijd deden. Deze huizen zijn aangepast aan de warme omstandigheden met hun dunne muren, houten vloeren en hoge plafonds. Ze staan op palen, voor de ventilatie maar ook vanwege de overstromingen, en ze staan in een prachtige, weelderige groene tuin vol met planten en vruchten waarvan de familie kan eten. De familiegeschiedenis is confronterend. De oude dame zag haar hele familie vermoord worden door de Rode Khmer omdat zij opgeleid waren. Zij was één van de twee overlevenden. Hij toont ons de opstelling van de spiegels die de familie in staat stelden om vanuit het achterhuis te zien wie eraan kwamen zonder zelf gezien te worden. De provincie Battambang is vaak bezet geweest door Thailand, tussen 1795 en 1914 was het Thais, en daarna weer tijdens de Tweede Wereldoorlog. In 1945 hebben de Fransen de provincie weer ingenomen. Maar veel van de inwoners van Battambang hebben Thais bloed. De neef vertelt over een Thaise grootvader die zijn Khmer-vrouw en kinderen in 1945 in de steek liet om naar Thailand terug te keren toen de provincie weer Cambodjaans werd. Hij wordt onrustig en heeft moeite zijn woede en bitterheid te verbergen. Regelmatig veegt hij zijn bezwete voorhoofd af met een doek. Dan herstelt hij zich en glimlacht weer. Hij gaat verder: “De Cambodjaanse glimlach verbergt veel. Wij lachen om onze vijanden op het verkeerde been te zetten. Vandaag de dag wil niemand dat Cambodja bestaat. Niemand beschermt Cambodja’’. Ik ben geschokt door deze woorden die me sterk overdreven lijken. Waarom zou iemand willen dat Cambodja verdwijnt? Maar tegelijk herken ik in zijn woorden wat de taxichauffeur ons ook al vertelde.




Op de laatste dag in Battambang vragen we een tuktuk chauffeur om ons het omliggende platteland te laten zien. De route leidt ons eerst naar een oude tempel maar daarna langs een aantal familiebedrijfjes. Bij de eerste worden rijstvellen gemaakt die gebruikt worden voor de spring rolls. Een vrouw en haar oudere moeder zijn druk bezig onder een afdak naast de woning op palen. Een van hen smeert de vloeibare rijstpasta op een hete plaat en maakt er met een spatel een flinterdun rond rijstvel van die zij vervolgens op een bamboe cilinder legt. De andere neemt de cilinder en spreidt het rijstvel uit op een van bamboe geweven scherm om hem in de zon te laten drogen. Deze handeling wordt de hele dag herhaald. Daarna stoppen we bij een familie die verse bananen- en mangochips maken op een soort grote barbecue onder hun woning. Tenslotte komen we bij een familie die langs de kant van de weg sticky rice klaarmaakt en verkoopt. Een plaatselijke specialiteit waarbij rijst in kokosmelk in een afgesloten bamboestok wordt gestoomd. Elke keer laten we wat geld achter of kopen iets om deze families, die van de verkoop van hun producten moeten leven, te ondersteunen. De inrichting van hun bedrijfjes is eenvoudig en hun leven simpel. De paar oude meubels van kostbaar hout staan verhoogd op krukjes tegen het vocht. Onder één van de huizen hangt een schilderij dat een Cambodjaans landschap uitbeeldt. Het is de enige versiering. Het is bedekt met stof en behoorlijk beschadigd door de tijd.



Uiteindelijk brengt onze chauffeur ons naar de Killing Fields. We waren eigenlijk niet van plan dit met de kinderen te doen. Te moeilijk, te ingewikkeld om uit te leggen. Maar we zijn hier nu toch en willen niet terugkrabbelen. Anna en Arthur zijn nieuwsgierig en willen graag weten hoe het nu zat met die gemene Pol Pot. Even later staan we stil voor het herdenkingsmonument. Het maakt indruk. De tekeningen op het monument laten geen twijfel bestaan. Boven de hoofden van de kinderen liggen skeletten opgestapeld achter de getraliede ramen van het monument. Een gebogen oude man loopt rond het monument met een groep jonge mannen, waarschijnlijk Europeanen of Amerikanen. Het contrast is opvallend tussen deze man, gebukt onder het gewicht van het verhaal dat hij vertelt, en deze jonge mannen, groot en sterk maar nog naïef, die hem met een troosteloze blik aankijken wanneer zij deze gruweldaden ontdekken. We volgen het groepje rondom het monument. Al luisterend naar de oude man proberen we de kinderen het verhaal zo waarheidsgetrouw uit te leggen waarbij we uiteraard menig detail verhullen. Tegen onze tuktuk chauffeur geven we even later toe dat het verhaal moeilijk uit te leggen is aan de kinderen. “Ze moeten het weten, het is belangrijk om dit verhaal te kennen”, antwoordt hij. Dan hoor ik de oude gebogen man even verderop een opmerking maken die we al eerder gehoord hebben: “Niemand wil dat Cambodja bestaat. Mijn land is niet meer wat het geweest is. We worden bedreigd en niemand zal ons helpen.” Wederom proeven we de bitterheid achter de glimlach.

Het einde van onze reis door Cambodja is een feit. We hebben een tipje van de sluier op kunnen lichten en de dagelijkse realiteit van veel Cambodjanen kunnen ervaren. Door de gesprekken begrijpen en waarderen we de glimlach en de vriendelijkheid van de Cambodjanen nog meer. Vier weken boordevol ervaringen proppen we in onze rugtassen. En alles wat er niet in past gaat met de souvenirs in een doos op de post. Het was in een woord geweldig!
Morgen halen we de camper op. Ons nieuwe thuis voor de komende 6 weken. Een nieuw hoofdstuk begint. Twee maanden gaan we rondtrekken door het ruige westen van Amerika. We verheugen ons op de natuurparken, de wilde natuur, het kamperen, de besneeuwde bergtoppen en de stilte.
Even geen tuktuk’s meer. En geen fried rice of fried noodles. We kijken ernaar uit om weer boodschappen te doen en zelf te koken. De barbecue aan te steken of een kampvuur te maken. Kortom, terug naar de natuur…
Nu eerst alleen nog even van die jetlag afkomen.
