Volle maan in de woestijn

Het is negen uur ‘s avonds, muisstil. Midden in de woestijn. Het kampvuur smeult nog langzaam na maar voor de rest is het aardedonker. Aan de horizon tegenover ons steekt het scherpe silhouet van de Spitzkoppe sterk af tegen de donkere hemel. Achter ons kruipt een volle maan langzaam naar boven naar de duizenden sterren die de hemel bedekken. De vallei waarin we staan licht langzaam op in de maangloed, net als de rotsen om ons heen. Anderhalf uur geleden tijdens de zonsondergang was dit alles nog fel oranje-roze gekleurd, nu zien we hoe de donkere silhouetten steeds verder verbleken onder het licht van de maan. We zijn allebei moe van een lange dag, maar willen nog even genieten van het schouwspel.

De kinderen liggen net op bed, maar aan de langzame, constante ademhaling te horen slapen ze allebei al. Marie-Laure en ik staan naar boven te staren. Mond open, zintuigen aan. Onze gedachten dwalen af naar onze eerste week in Namibië, een week die niet vanzelfsprekend was en die, niet voor het eerst deze reis, een behoorlijk beroep heeft gedaan op ons improvisatievermogen. We hadden net een uitputtende, drie dagen durende reis achter de rug toen bij aankomst bleek dat al onze baggage kwijt was. De twijfels waren er natuurlijk. Hoe maak je een reis dwars door een van de meest onherbergzame en dunst bevolkte landen van Afrika zonder bagage? Dat vroegen wij ons vlak na aankomst ook af. Alles wat we nodig hadden zat in onze rugzakken. Maar we besluiten de situatie te accepteren en te nemen zoals die is. Namibië is het laatste land van onze reis en we zijn vastbesloten hier de komende weken nog maximaal van te genieten. Ook al dragen we inmiddels al ruim een week dezelfde kleren. 

Namibië is een gigantisch land. Als je het op de kaart van Afrika ziet lijkt het mee te vallen, maar als je het over Europa heen legt zie je pas hoe groot het is. Arthur die per dag duizend vragen stelt en niet rust voordat hij antwoorden heeft, komt er al snel achter dat Namibië het op-een-na dunst bevolkte land ter wereld is. Op een oppervlakte van 825 duizend vierkante kilometer, de oppervlakte van grofweg Duitsland en Frankrijk samen, wonen welgeteld 2,1 miljoen inwoners. ‘’En wat is het dunst bevolkte land dan papa?’’. ‘’Daar moet ik even over nadenken, jongen. Waarschijnlijk Mongolië’’, zeg ik hem. Maar dat is natuurlijk niet genoeg voor Arthur: ’Wat is Mongolië, hoe groot is het en hoeveel mensen wonen daar dan?’’. Zo gaat het vaak een hele dag door. Terwijl Anna uren met haar neus in haar E-reader kan zitten vuurt Arthur zijn vragensalvo’s op ons af. Zo schattig!

Zodra we in zuidelijke richting de hoofdstad Windhoek verlaten rijden we een uitgestorven vlakte in. Kilometers en kilometers kaarsrechte wegen die aan de horizon verdwijnen met in alle richtingen niets dan zacht wuivend goudgeel woestijngras. De eerste honderd kilometer is het landschap nog vrij groen en zijn de wegen geasfalteerd en in een bijzonder goede staat. Maar na zo’n 200 kilometer draaien we de weg af de Kalahari woestijn in en stuift het donkerrode zand alle kanten op. We worden heen en weer gerammeld door de oneffenheden in de weg en door de onuitstaanbare wasbordhobbels die alles in de auto door elkaar doen rammelen. De snelheid gaat omlaag en we moeten goed opletten. Ook al rijden we in een 4×4 en hebben we de bandenspanning iets verlaagd, de wielen slippen makkelijk weg en als je iets te uitbundig stuurt kun je door het zachte zand zo naast de weg belanden. Rijden in deze omstandigheden is vermoeiend en vraagt opperste concentratie. We turen naar het wegdek vlak voor de auto en proberen de diepste putten, de grootste hobbels en natuurlijk de scherpe stenen te vermijden. We hebben geen zin om midden op deze dorre vlakte een band te moeten vervangen. 

De steden onderweg, zoals Mariental of Keetmanshoop, lijken op de kaart nog heel wat maar blijken uiteindelijk maar kleine dorpjes te zijn. Omdat de regio zo dunbevolkt is stoppen we bij ieder tankstation wat we tegenkomen. We gooien de tanks vol en vullen onze drinkflessen met water. Als er een supermarkt is doen we wat inkopen. Mensen die de kinderen Nederlands horen praten, knopen al gauw een praatje aan in het Afrikaans (Waar kom jy vandaan?) en vragen ons wat we van Namibië vinden (Wat dink jy van Namibië?). In Mariental zoeken we naar een adapter om onze MacBook op te laden. Als de eigenaresse van de enige elektronicazaak in het stadje na enige tijd  zoeken moet toegeven dat ze deze niet meer op voorraad heeft, grijpt ze achter de toonbank haar eigen adapter en geeft deze aan ons. ‘’Here, you can have this one. You need it more than I do’’. Wat een mooi gebaar. We zijn pas drie dagen in dit land maar nu al diep onder de indruk van de gastvrijheid en de vriendelijkheid van haar inwoners. 

De dag erna rijden we verder naar het zuiden richting de Fish River Canyon, de op één na diepste canyon van de wereld en het meest zuidelijk gelegen natuurpark van Namibië. Je ziet Zuid-Afrika hier in de verte bijna liggen. Deze ochtend zijn we pas laat vertrokken omdat we aan de telefoon waren met de bagageservice van het vliegveld. Mijn bagage is gevonden en onderweg naar Kaapstad, maar die van Marie-Laure is onvindbaar en we moeten een claim met een gedetailleerde beschrijving van de inhoud van de rugzak opsturen naar Lufthansa. Niet leuk om te doen, maar het moet. 

Als we eindelijk op weg zijn is het al bijna middag. Van de 400 kilometer die we die dag moeten is het grootste gedeelte onverhard. Als het rond 6 uur ‘s avonds begint te schemeren moeten we nog een flinke afstand afleggen. Ik denk terug aan een paar dagen geleden. De autoverhuurder die uitleg geeft over onze 4×4, waarschuwt me niet ‘s nachts te rijden. De kans op ongelukken en vooral op botsingen met wilde dieren is vele malen groter omdat veel dieren pas na het vallen van de nacht actief worden. Ik houd het stuur stevig vast en laat de snelheid langzaam zakken naarmate de avond verder valt. 80, 60 en als het uiteindelijk helemaal donker is nog maar 40 kilometer per uur. Al snel zien we de eerste blikken oplichten in het schijnsel van onze koplampen. Een Oryx steekt langzaam de weg over. Weer even later is het een kudde springbokken. Verblind door het licht blijven ze stokstijf midden op de weg staan. Ik laat de auto helemaal tot stilstand komen. Anna en Arthur vinden het fantastisch, leunen helemaal naar voren en genieten tussen ons in van alle dieren die we zien tijdens deze onverwachte nachtsafari. Een woestijnvos, een kudu, twee struisvogels en na een tijdje zelfs een hele groep zebra’s. Hun zwart-witte strepen lichten op in de nacht. Het is al laat in de avond als we uiteindelijk aankomen op onze campsite. 

Fish River Canyon doet ons heel erg denken aan de Grand Canyon en aan Canyonlands National Park waar we tijdens onze reis door Amerika geweest zijn. Vanaf de rand van de canyon kijken we 700 meter de diepte in. Het rotsachtige landschap is heel anders dan wat we tot nu toe gezien hebben. Het doet een beetje denken aan een maanlandschap. En we vinden er  Quiver Trees, het Afrikaanse broertje van de Joshua Trees is Noord-Amerika.

Verder naar het westen komen we uit in Aus. Van hier loopt een kaarsrechte weg in westelijke richting dwars door de Naukluft-Namib woestijn, de oudste woestijn ter wereld tot aan de Zuid-Atlantische Oceaan. De weg eindigt in de kustplaats Luderitz, waar je de Duitse, Portugese en zelfs Nederlandse invloeden ziet (al in de 18e eeuw trokken pioniers van Kaap de Goede Hoop naar boven tot in dit gebied). Niet veel verder ligt de spookstad Kollmanskop. De diamantmijnen, samen met de uraniummijnen, waren en zijn nog steeds de belangrijkste economische inkomstenbron van het land. Kolmanskop was een hele grote en belangrijke diamantmijn met een bruisende stad waar overal diamanten verhandeld werden. Maar de diamantvoorraad raakte op en wat overblijft is een een verlaten, spookstad midden in de woestijn. Ingestorte huizen, ongebruikte spoorlijnen. 

De meest bijzondere plek van onze eerste week volgt een paar dagen later als we vanuit Aus terug in noordelijke richting rijden richting de Sossusvlei. Witte kleivlaktes (vleis) midden in de woestijn die scherp afsteken tegen de okerrode zandduinen en de helblauwe lucht. We staan vroeg op en klimmen in het schemerduister de duin op. Onze voetstappen maken een rommelig pad bovenop de duinkam. Anna en Arthur zijn onder de indruk van de rood-oranje zon die boven de duinen uitkomt. Ze zitten allebei te glunderen in het zand, diep weggedoken in hun jas. Het is bijna winter in Namibië en de nachten zijn koel. 

Uiteindelijk komen we aan het einde van onze eerste week uit op deze community campsite in Spitzkoppe. Hij wordt gerund door de gezinnen uit het naastgelegen dorp en genereert op deze manier broodnodige inkomsten in een regio waar de mensen niet veel hebben om van te leven. We stoppen in het dorpje, kopen een aantal souvenirs aan het stalletje van een tweetal moeders. Ze staan al de hele dag in de zon te wachten op toeristen. We vragen of ze kinderen hebben en of ze naar school gaan. Daarna geven we ze allebei nog een flesje water. Als we wegrijden maakt een van de vrouwen een traditionele Afrikaanse vreugdegroet met een hoog gilletje en een dansje naast onze auto. We zijn blijkbaar welkom.

Daar staan we dan, kijkend naar deze oneindige hemel vol sterren en met die gele maan. Ons dit allemaal te herinneren. Ondanks de vermoeidheid en alle tegenslag die we gehad hebben voelen we ons intens gelukkig. 

We klimmen het trapje op naar onze tent. We leggen ons hoofd neer, kijken nog een keer naar boven naar de miljoenen sterren, naar de verlichte bergen en ritsen dan het tentdoek dicht. Langzaam vallen we in slaap.

Plaats een reactie