Met handgebaren maakt hij me duidelijk dat hij er geen geld voor wil hebben. Zijn met vet besmeurde handen weigeren het biljet wat ik hem aanreik met een grote glimlach op zijn gezicht. ‘’You’re welcome!’’ We zitten op krukjes achter in een garage in Ibbin, een voorstad van Ajloun, zo’n 150 kilometer ten noordwesten van Amman. Zojuist heeft de garagist de achterband van onze huurauto ‘geplakt’, zonder dat hij er geld voor wil aannemen.
Het is typerend voor de gulheid en de gastvrijheid van het Jordaanse volk. Ze zeggen niet alleen dat je welkom bent, maar laten je het ook echt voelen. Eerder die middag, toen we niet ver daar vandaan de historische plek Tell Mar Elias (what’s in a name) bezochten, naar de overlevering de geboorteplaats van de profeet Elijah, werden we uitgenodigd om samen met de bewakers van de site een thee te drinken. ‘’Welcome, chai?’’. En zo’n aanbod kun je hier natuurlijk niet weigeren.
Dus al snel stonden we met vier kopjes hete thee gezellig te keuvelen. Nou ja, keuvelen? Taal is wel een dingetje hier in Jordanië. In de grote steden volstaat Engels, maar op het platteland waar we nu zijn spreekt bijna niemand dat. En enkele digitale lessen arabisch voor ons vertrek ten spijt, bestaat onze woordenschat uit niet veel meer dan Merhaba (hallo) en Choukrane (dankuwel).
‘’Wat is dat ding in de band van de auto, papa?’’ zegt Arthur als we even later bij de auto komen. Iets wat lijkt op een ijzeren bout van zo’n anderhalve centimeter steekt uit de rechterachterband. We overwegen even om hem eruit te trekken maar besluiten uiteindelijk om terug te rijden en op zoek te gaan naar een garage. Op advies van een pompbediende bij een tankstation vinden we er uiteindelijk een.
Een man komt ons meteen tegemoet. Ik probeer nog even: “English?’’. Maar hij schudt zijn hoofd en pakt zijn telefoon. ‘’Waar kan ik u mee helpen?’’ verschijnt er op het schermpje. Ik wijs naar de achterband. Hij kijkt even en loopt dan de garage in.
Even later komt hij terug met een lange metalen pin die iets weg heeft van een breinaald met daaraan een rubber lint en in zijn andere hand een scherp mes. Hij trekt het stuk ijzer uit de band begint maar die begint meteen hevig te sissen. Wat een geluk dat we dat zelf niet geprobeerd hebben.
Hop, stalen pin met rubber lint in het gat, draaien tot het sissen stopt. Afsnijden en klaar. Kosten: 1 Jordaanse Dinar. Nog geen anderhalve euro. Ik geef hem het dubbele en we vervolgen onze weg.

Niet veel later horen we toch weer lucht ontsnappen uit de band. Als we terugkomen bij de garage, kijkt hij nog eens. Ik vraag hem wat een nieuwe band kost. Maar die blijkt hij na een aantal telefoontjes niet op voorraad te hebben. Wat nu?
Hij gebaart de auto naar binnen te rijden. Krik eronder, wiel eraf, band leeg laten lopen, twee harde knallen, band van de velg en plakken maar. Amper een kwartier later zit het wiel weer onder de auto. In Nederland zou dit een halve dag duren en een fortuin kosten, maar hij weigert iets aan te nemen.
Overal waar we zijn geweest worden we met open armen ontvangen en doen de mensen hun best ons een onvergetelijk moment te bezorgen. Ze wijzen ons de weg, geven ons goede tips, bieden thee aan en weigeren ons meer te laten betalen dan nodig. Blij en trots als ze zijn ons in hun prachtige land te verwelkomen. Bij gebrek aan woordenschat, buigen we, leggen we een hand op het hart en geven hen onze glimlach terug. Een lach overbrugt alle taalbarrières, dat bewijst iedere dag ons weer.
Gisteravond zijn we aangekomen aan de oevers van de Dode Zee. Ik ben vandaag op tijd opgestaan. Het is 7 uur en Marie-Laure en de kinderen liggen nog te slapen. Als ik beneden in de lobby van het hotel kom lacht de hoteleigenaar me alweer vanachter zijn mondkapje toe.
‘’You’re most welcome, sir!’’ Wat heerlijk om iedere dag zo te kunnen beginnen!

Wat een heerlijk positief verhaal!
LikeGeliked door 1 persoon