Ik voel de scherpe pijn in mijn rug. Ik ken deze pijn en ik weet dat het geen goed teken is. Mijn rug speelt me weer parten. Gisteren nog trokken we door Petra samen met onze gids Samir. Wij te voet, de kinderen trots op de rug van zijn ezel. “Kunnen we er samen op?’’, vroegen ze meteen toen de gids zijn diensten aanbood nadat we al een tijdje geklommen hadden en de kinderen moe begonnen te worden. Dat kon. ‘’Joepie!’’.
Samir leidt ons door de bergen van Petra tussen gigantische rotsen, tempels en oude graftombes, ver van de gebaande paden. Het is dag 3 in Petra. We proberen de bezoeken te spreiden want Petra is veel groter dan het op het eerste gezicht lijkt en we willen marathon dagen voor de kinderen vermijden. Samir laat ons de verborgen plekjes van de oude Nabatese stad zien. Petra is prachtig en magisch op dit moment. Maar toeristen zijn er niet of nauwelijks, wat een probleem is voor de bedoeïenen. Het toerisme is hun levensader, en ze bieden met zachte drang hun snuisterijen, Jordaanse hoofddoeken, hun ezel of hun kamelen aan.
In het begin zijn deze voortdurende verzoeken wel eens vermoeiend, maar naarmate de dagen verstrijken, blijken de bedoeïenen de ziel van Petra te zijn. Zij wonen in de grotten of in de aangrenzende dorpen, kennen het gebied en de bergen als geen ander. Sommigen spreken wat woorden Frans of Nederlands. Zij vertellen ons over hun vrienden of familie in Frankrijk. Eén van hen heeft meegewerkt aan een Nederlandse documentaire. We raden al snel dat ze niet zo afgesloten zijn van de wereld als we denken.
“Ik vind het zielig voor hen dat ze zo moeten leven,” zegt Arthur. Ik vraag hem of ze ongelukkig zijn of dat ze een eenvoudig leven leiden, veel eenvoudiger dan dat van hun. Dat is een moeilijke vraag voor kinderen die alles hebben. ‘’Het is waar dat je rijk kunt zijn maar ongelukkig en arm en toch gelukkig,” antwoordt Anna.
Dus vraag ik hen wat ze van Bedoeïenen vinden. ‘’Zijn ze gelukkig?’’. “Ze zien er gelukkig uit. Ze wonen op een hele mooie plek en lijken elkaar allemaal te kennen’’, antwoorden ze. De kinderen lachen als ze zien hoe bedoeïenen elkaar vanaf de ene berg naar de andere begroeten alsof ze aan de andere kant van de weg staan. Hoe herkennen ze elkaar van zo ver weg,” vragen ze zich af.
Nee, bedoeïenen zijn niet ongelukkig. Ze leven in harmonie met hun omgeving en stralen een opvallende kalmte uit. Ik heb het gevoel dat ze hun leven niet voor het mijne zouden ruilen.
Wanneer wij eerder die dag een moeilijk pad inslaan wat naar een uitzichtpunt zou moeten leiden, zegt een van hen ons dat het wellicht wat steil is en dat wij de kinderen stevig vast moeten houden. Wanneer wij onverrichter zake terugkeren, verwelkomt hij ons bovenop met een eenvoudig “Ik heb het je gezegd”. Dit is de wijsheid van de bedoeïenen. Ze dringen zich niet op maar proberen ons nederig te adviseren. Ook al nemen wij dat advies niet altijd aan.

Vandaag ben ik aan bed gekluisterd, onder 4 dikke dekens in een tent in de woestijn van Wadi Rum, het decor van de beroemde film Lawrence of Arabia. Want hoewel we in de woestijn zijn, het is hier bitterkoud in januari. Deze ochtend, toen we Petra verlieten, ben ik door mijn rug gegaan wanneer ik mijn rugzak probeer op te tillen.
Abdullah verwelkomt ons als we na een 2 uur durende, zeer pijnlijke reis met de auto in Wadi Rum aankomen. Hij is onze gastheer en brengt ons het laatste stukje met zijn 4×4 naar het kamp. Hij is gekleed in Jordaanse kleding met zijn rode hoofddoek op zijn hoofd, zijn donkerblauwe tuniek, zijn zonnebril en een grote glimlach. Het is een knappe jongeman met de air van een oliekoning.
Terwijl hij zo langzaam mogelijk door het zand rijdt om mijn rug te sparen, maakt hij zich zorgen over mijn toestand en vraagt me of ik al naar een dokter ben geweest. ‘’Soms is het beter om meteen naar een dokter te gaan dan te wachten,” adviseert hij me. Maar ik weet zelf uit ervaring, na wat rust komt het wel weer goed. Dus hij knikt en rijdt verder.
En hier lig ik dan in mijn tent met het majestueuze landschap van de woestijn voor me. Aan de horizon 3 kamelen die de roze woestijnvlakte oversteken en enkele jeeps die terugkomen naar het kamp. Geen internet, de batterij van mijn telefoon is leeg, mijn e-reader zit in de tas en ik kan me niet bewegen.
Abdullah heeft ons thee aangeboden. Jurgen vraagt hem wat er te doen is. ‘’Er is hier niets te doen’’, antwoordt Abdullah. We genieten van het landschap en als we de volgende ochtend toch besluiten ons verblijf af te breken en naar de dokter te gaan, antwoordt hij: “Ik heb het je toch gezegd”. Maar ik luisterde niet. “Ik heb mijn lesje geleerd voor de rest van de reis” zeg ik tegen hem. ‘’Nee”, antwoordt hij met een glimlach. ‘’Voor de rest van je leven’’.
Ik knik. Hij heeft gelijk.

Wat een mooie verhalen, jullie kunnen er een boek van schrijven. Ik hoop dat de rugpijn gezakt of weg is. Ik wens jullie een behouden en schitterende reis toe. Ik ga zeker nog meer lezen.
Groetjes
LikeGeliked door 1 persoon
Hi lieverds, wat een mooie verhalen en dit is pas het begin….echt heel, heel leuk om mee te lezen. Enjoy. Gr.
LikeGeliked door 1 persoon
Mooi geschreven, alsof we over jullie schouders kunnen meekijken. Hopelijk voelt de rug gauw beter en kan de dokter meer dan goed luisteren. Sterkte en liefs van ons.
LikeLike
Dankjewel het gaat gelukkig veel beter!
LikeLike
Leuke verhalen en foto’s! Groetjes!
LikeGeliked door 1 persoon